Het Veluws Heideschaap

Hoe ziet het Veluws Heideschaap er uit
Het Veluws Heideschaap is een groot, lang en hoog-benig schaap. De kop is onbewold en matglanzend behaard, met vrij grote oren. De vacht is wit, langharig en vrij grof. Op de kop en de poten komen soms voskleurige vlekjes voor. De staart is lang en onbewold. De rammen hebben vaak kleine, knopvormige horens, de ooien zijn ongehoornd. De ooi werpt één lam per jaar en soms een tweeling.

De geschiedenis en oorsprong van het ras
Het Veluws Heideschaap behoort samen met het Kempisch en Drents Heideschaap en de Schoonebeeker tot de groep van Heideschapen en is het meest verwant aan het Kempisch Heideschaap. In de 19e eeuw trokken grote kudden heideschapen door uitgestrekte ruige terreinen met als doel: mestproductie. De schapen vraten overdag (ongeveer van 11.00 tot 16.00 uur) van de vegetatie en deponeerden ´s nachts hun mest in de stal, die gemengd met heideplaggen over de schrale akkers werd verspreid. Met de komst van kunstmest werden heideschapen overbodig en zijn ze geleidelijk aan met uitsterven bedreigd.
De oorsprong van het Veluws Heideschaap ligt op de Veluwe (tussen Apeldoorn, Harderwijk en rond Ede en Barneveld) en in Utrecht, Noord-Brabant en Overijssel waar het werd gehouden in kuddes van 70-100 ooien. De lammeren werden op rijkere gronden afgemest en voor de slacht verkocht naar Londen en Parijs.
In 1910 waren er nog 10.000 ooien en in 1960 was het ras vrijwel uitgestorven. Aandacht voor het behoud van de bio-diversiteit betekende ook voor dit ras weer een opbloei. In 1976 waren er weer grote kudden in Ede, op de Haarlerberg (Nijverdal) en in Rheden. Zij dienen voor begrazing van natuurterreinen om ongewenste opslag van bomen te verkomen en om vergrassing tegen te gaan.