Ermelosche heideschapen

De kudde van Ermelo behoort tot het zeldzame vee-ras het Veluws Heideschaap. Hoewel er weinig vlees en een niet al te beste kwaliteit wol aan zit, is vanuit historisch perspectief voor dit ras gekozen. Het is een zeldzaam landbouwhuisdierras dat van oorsprong in deze regio voorkwam. Wij zijn een erkend fokbedrijf en dragen bij aan de instandhouding van de soort.

Veluws Heideschaap

Het Veluws Heideschaap is een groot, lang en hoogbenig schaap. De kop is kaal (geen wol)  en matglanzend behaard, met vrij grote oren. De vacht is wit, langharig en vrij grof. Op de kop en de poten komen soms vlekjes voor. De staart is lang en bewold. Zowel de rammen als de ooien zijn ongehoornd. De ooi werpt één lam per jaar, maar soms gaat het om een tweeling. De lammertijd van de schapen op de Ermelosche Heide begint eind januari en loopt daarna 5 weken door, zodat eind februari alle lammeren geboren zijn en de moeders in de lente met hun kroost de heide weer op kunnen gaan. Voor de bezoeker steeds weer een prachtig gezicht om de lammetjes te zien dartelen.

Oorsprong Veluws Heideschaap

Het Veluws Heideschaap behoort samen met het Kempisch en Drents Heideschaap en de Schoonebeeker tot de groep van Heideschapen en is het meest verwant aan het Kempisch Heideschaap. In de 19e eeuw trokken grote kudden heideschapen door uitgestrekte ruige terreinen met als doel: mestproductie. De schapen vraten overdag (ongeveer van 11.00 tot 16.00 uur) van de vegetatie en deponeerden ´s nachts hun mest in de stal die, gemengd met heideplaggen, over de schrale akkers werd verspreid.

Met de komst van kunstmest werden heideschapen overbodig en werden ze geleidelijk aan met uitsterven bedreigd. De oorsprong van het Heideschaap is de Veluwe (tussen Apeldoorn, Harderwijk en rond Ede en Barneveld) en in Utrecht, Noord-Brabant en Overijssel waar het werd gehouden in kuddes van 70-100 ooien. De lammeren werden op rijkere gronden afgemest en voor de slacht verkocht naar Londen en Parijs.

In 1910 waren er nog 10.000 ooien en in 1960 was het ras vrijwel uitgestorven. Aandacht voor het behoud van de biodiversiteit betekende ook voor dit ras weer een opbloei. In 1976 waren er weer grote kudden in Ede, op de Haarlerberg (Nijverdal) en in Rheden. De schapen dienen voor begrazing van natuurterreinen om ongewenste opslag van bomen te voorkomen en om vergrassing tegen te gaan.